Daisy
Nederlands
Andere formaten
Toegankelijke formaten:

De olifant

Agave Kruijssen (auteur), Hilde Groeninck (verteller)
De Saksische reus Fledrik heeft een hoorn die zo'n afschuwelijk geluid maakt, dat ieder die hem hoort van schrik geen voet meer kan verzetten. Die hoorn wordt de Olifant genoemd. Ridder Roeland heeft gezworen de Olifant van de reus te veroveren, en als Roeland iets gezworen heeft, dan kan niemand hem dat nog uit zijn hoofd praten. Een spannend ridderverhaal met veel humor en fantasie.
Onderwerp
Middeleeuwen, Ridders
Titel
De olifant
Auteur
Agave Kruijssen
Verteller
Hilde Groeninck  (inlezer)
Taal
Nederlands
Distributeur
Brussel: Luisterpunt, 2007
1 cd
Speelduur
2:09
Oorspr. uitgever
Lannoo
Aantekening
Stem: Vrouw Vlaamse stem

Andere formaten:

Toegankelijke formaten:

Beschikbaarheid in Vlaamse bibliotheken

Meer dan 1 keer in Vlaamse bibliotheken

Besprekingen

Grimmar Mankepoot is een Ierse kroniekschrijver in dienst van ridder Roeland, een neef van Karel de Grote. In de ik-vorm beschrijft hij de strijd van zijn Frankische meester, die in dit tweede tweede deel van de reeks 'Razende Roeland' een hoorn met een afschuwelijk snerpende klank, die 'de Olifant' genoemd wordt en alle vijanden schrik aanjaagt, probeert te veroveren in de burcht van de Saksische reus Fledrik. Onderweg stuiten ze op de mooie Oda, die tegen haar zin uitgehuwelijkt gaat worden aan Fledrik. Gelukkig dat Grimmar die slappe spieren heeft, wel erg slim is, zodat hij zijn meester goed kan helpen. Ook de hulp van ridder Elegast, die kan toveren is onmisbaar. De klank van de hoorn is afhankelijk van degene, die hem bespeelt. Het spannende verhaal speelt in de tijd dat de Franken en Saksen nog volop strijd met elkaar leveren. Het wordt helemaal beschreven 'door de ogen' van Grimmar. Klein formaat, stevig gebonden boek met duidelijke letter; geïllustreerd met acht zwarte pentek…Lees verder

Razende Roeland. De olifant

‘De Olifant’ is het tweede deeltje in de serie 'Razende Roeland’. Ook hier vertelt Grimmar Mankepoot, de Ierse klerk, in de ik-persoon. In deel één bemachtigt Roeland, een neef van Karel de Grote, het zwaard Durendaal. In dit verhaal wil Roeland de hoorn Olifant op de Saksen veroveren. Dat lukt hem o.m. door de toverkunst van Elegast. Met een list veroveren de Franken de burcht en bevrijden Oda, die tegen haar zin uitgehuwelijkt werd aan de aanvoerder van de Saksen. Zo heeft Roeland én zijn hoorn én zijn mooie Oda. De schrijfster probeert de taal van de Saksen na te bootsen en vervormt eigennamen zoals Fledrik (Frederik) en Tulpijn (bisschop Turpijn). Een beetje kinderachtig. Een foute keuze lijkt me ook de gotische beginletter van elk hoofdstuk. De knappe illustraties zijn beter dan de tekst.


Suggesties