Boek

Niemand bleef : dagboek van Meneer B. 2005-2011

Niemand bleef : dagboek van Meneer B. 2005-2011
×
Niemand bleef : dagboek van Meneer B. 2005-2011 Niemand bleef : dagboek van Meneer B. 2005-2011
Boek

Niemand bleef : dagboek van Meneer B. 2005-2011

In de reeks: Privé-domein ; #303
Nederlands
© 2019
Volwassenen
Dagboek van een gei͏̈soleerde schrijver met hartproblemen die er in Den Haag het beste van maakt, dat tevens meer duidelijkheid schept over de achtergrond van de roman 'De tolk van Java'.
Persoononderwerp Birney, Alfred (1951-)
Titel Niemand bleef : dagboek van Meneer B. 2005-2011
Auteur Alfred Birney 1951-
Taal Nederlands
Uitgever Amsterdam: Uitgeverij De Arbeiderspers, © 2019
359 p.
ISBN 9789029526180

De Morgen

Vette vis voor het schrijvershart
Dirk Leyman - 27 april 2019

'Vrouwen voelen zich over het algemeen snel op hun gemak bij mij. Helaas beginnen ook zij mij onderhand te vervelen. Nog even en ze staan op de schaal der verveling gelijk aan mannen', noteert Alfred Birney (°1951) op de eerste pagina van Niemand bleef. Schamper en somber, laconiek en lijzig, maar niet zonder milde ironie: de toon van deze dagboeknotities is meteen gezet.

Tussen 2005 en 2011 hield de Nederlands-Indische schrijver een eigengereid, vaak taboeloos logboek bij. In een reeks puntige schetsen van zo'n vierhonderd woorden biedt hij een ongegeneerde inkijk in zijn leven, getekend door een (zelfgekozen) eenzaamheid en een nachtelijk ritme. Tot een hartaanval alles door elkaar schudt en de naderende ouderdom, die zijn libido en levenslust verder dempt, onontkoombaar blijkt.

Birneys meeslepende aantekeningen hebben nu een onderkomen gekregen in de prestigieuze Privédomein-reeks. Dat heeft hij natuurlijk te danken aan zijn Libris Literatuurprijs 2017 voor De tolk van Java (2016), de 'woedende eruptie', waarin hij de wreedheden beschreef van zijn 'volkomen redeloze' vader Adolf, die in de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd voor de Nederlanders streed. Voordien bereikte einzelgänger Birney, als vertegenwoordiger van de 'Tweede Generatie' Indische schrijvers, slechts een fijnproeverspubliek.

Om afstand te scheppen tot zichzelf past Birney

in Niemand bleef een beproefd trucje toe. Hij verschuilt zich achter zijn alter ego Meneer B., zodat hij zijn 'grillen, nukken en buien' beter kan bedwingen. Overgeleverd aan de monotonie van de dag, waarin hij zich vaak als broodschrijver overeind houdt, is hij 'de slaaf van Mevrouw A.'. Zij voorziet hem van opdrachten, als ghostwriter en -blogger, redacteur en opschoner van teksten.

Birney houdt ervan: 'Ik ben dol op schrappen en herschrijven. Goed betaald ook, vergeleken met een literaire tekst.' Intussen probeert hij moeizaam eigen fictiewerk in de steigers te zetten. De twijfel overheerst: 'Ik las eens dat je na tien jaar writer's block niet meer kunt spreken van een writer's block. Je bent dan gewoon geen schrijver meer. Je wás het.'

In februari 2006 krijgt Birney, een fanatieke roker, een hartaanval. Ook in de ziekenwagen blijft hij flegmatiek. Voor de verplegers kunnen vragen 'Rookt u?', zegt hij: ''Ga ik dood, heren?' Nee, ik zou niet doodgaan. Nog niet, althans, zeiden ze.'

Zonder een spatje larmoyantie registreert Birney zijn gestage revalidatie, waarin vis, vooral vette vis, een hoofdrol speelt. 'De haring wordt een motief in mijn leven. In de eerste plaats: als medicijn voor het hart. Dosering: tweemaal per week.' Maar hij beseft wel hoe ontwrichtend de gebeurtenis is. Door de pieken en dalen van het herstel moet je 'overal maling aan hebben'.

Helaas helpt de omgeving niet altijd mee. Over zijn hartinfarct krijgt hij vele 'domme' vragen.

Vertellen wat een hartaanval precies inhoudt, concludeert Birney, 'het is net zo lastig als een maagd of een knaapje uit te leggen wat een orgasme is.' Slechts langzaam - dankzij hardnekkig fietsen - wordt zijn wereld weer groter.

Toch speelt het grootste deel van dit soms freewheelende maar altijd prettig weglezende dagboek zich af binnen de vier muren van zijn Haagse appartement. Aan diepgaande filosofische inzichten waagt Birney zich zelden, down-to-earth gemijmer heeft voorrang. Hij zorgt voor zijn zoon, grijpt naar de gitaar, jongleert met muziek of schrijft kleine aubades over schrijvers als Kawabata, Tanizaki, Modiano of Nabokov.

Verslingerd aan vrouwen

Vooral blijkt hij verslingerd aan vrouwen en ex-geliefdes, over wie hij talloze - soms nogal naïeve - miniatuurtjes neerschrijft. Soms volstaat een voorbijrijdende fietsster om zijn fantasie aan te vuren, dan weer is hij verguld met vrijmoedige buurvrouwen, die hij vanachter de vitrage gadeslaat. Birney schaamt zich kennelijk niet voor de 'male gaze'. Het beeld rijst op van een ouder wordende man met een tergend besef van weemoed en vergankelijkheid. 'Mijn naam is Meneer B. en ik ben goed op de hoogte van de oneindige hardheid van het leven.' Tot hij beseft: ik kan niet langer lummelen, ik moet weer echt gaan schrijven. Aan het boek dat hij vanaf zijn twintigste voor ogen had: De tolk van Java.

De Volkskrant

Drie seconden verliefd in jaren van tegenwind
Arjan Peters - 27 april 2019

Dat was een glorieus moment, toen Alfred Birney (1951) de Libris Literatuur Prijs 2017 won voor zijn semi-autobiografische roman De tolk van Java, de culminatie van dertig jaar schrijverschap. Het grote verhaal over zijn moeizame jeugd, waarin hij als 13-jarige werd 'gedeporteerd' naar internaten, omdat het thuis niet meer ging, door toedoen van zijn agressieve en getraumatiseerde vader met wie hij een leven lang in de weer is geweest, ook twintig jaar na diens dood.

Aan de jaren van sappelen in de luwte leek twee jaar geleden een einde gekomen, al bleef Birney ook na het verkoopsucces en de feestelijke signeertournee niet gespaard voor de ernstige hartproblemen waar hij al jaren aan leed. Als om ons en zichzelf te herinneren aan de lange jaren van voorbereiding verschijnt nu Niemand bleef, het dagboek dat 'Meneer B.' bijhield in de jaren 2005-2011. Vrijgezelle vijftiger in Den Haag, twee kinderen, een dochter die hij niet ziet en een puberzoon die hij geregeld in huis heeft, een man die moet leven van reclameteksten in opdracht, een schrijver die op de fiets naar Scheveningen en in de supermarkt goed kijkt - en niet alleen naar de lucht, de zee, de haring en de boodschappen, maar ook naar de heupen en billen van jonge meisjes, op pleintjes en achter de kassa. Zou er nog een nieuwe liefde in zitten voor deze al wat oudere man, of moet hij het hebben van herinneringen aan de vele voorbije liefdes, die misschien wel mooier zijn dan die liefdes zelf waren? 'Zelfs de herinnering aan een herfstliefde kan mooi zijn, tenzij het buiten zo guur is als de afgelopen dag. Het plein was van de wind, niet van de mensen. Gail en Rachel kwamen in de herfst van 1970. De winter bracht blues en jaloezie, geen jas was warm genoeg. Ik verloor hen uit het oog in de vroege lente van 1971. Mijn lied over deze twee Amerikaanse meisjes begon dus in de herfst en eindigde in het voorjaar. Geen lied voor klassieke tenoren, eerder een popsong die nooit doorbrak.'

Het is een vermakelijk soort verbaal lummelen dat Birney hier bedrijft, hij laat ons de jaren zien waarin hij permanent tegen de wind in moest fietsen, in zijn eentje en met een zwak hart, schrijvend maar vooral de dijkdoorbaak verbeidend die De tolk van Java zou betekenen. Zoals filmacteurs altijd beweren dat hun werk grotendeels uit wachten bestaat, de uren die ze wel klaar moeten zitten maar waarin niet wordt gedraaid, zo is schrijven voor bepaalde auteurs vooral geconcentreerd wachten op het ware schrijven, met een sigaretje in het raamkozijn zitten en naar buiten koekeloeren, op het oog niets uitvoerend maar beschikbaar blijvend voor de muze die zich vaak goed verbergt en zich pas aandient als ze daar ten langen leste zin in heeft.

Om zich een houding te geven noemt Birney zich Meneer B., een man die depressief door het leven scharrelt, lezend in Modiano (herinneringskunstenaar) en Japanse klassiekers (die met een fijn penseel de natuur en de liefde schilderen), die klaagt over het Hollandse hondenweer, die in de buurt van de Scheveningse gevangenis de markante schrijfster Helga Ruebsamen ziet fietsen (dat kan heel goed, ze gaf schrijfcursussen aan delinquenten) en die zelf niet in de gaten heeft dat zijn altijd verzorgde en behaagziekvrije gemopper hem buitengewoon sympathiek maakt.

Op zekere morgen in augustus 2007 vreest hij voor een nieuw hartinfarct, en besluit te gaan fietsen, richting Scheveningen. Een zonloze dag. 'Toen opeens, nadat ik rechtsaf was geslagen richting zee, zag ik haar mij tegemoetkomen. Iemand. Ze liep naast haar vriend, maar die deed er helemaal niet toe. Onze ogen hadden elkaar gevonden en hielden elkaar lang vast, zo lang totdat het niet meer kon, omdat ik nu eenmaal door moest fietsen. Haar ogen waren doorschijnend, ze glinsterden als sterren, waren leeg en vol tegelijk. Ik weet niet wat ik erin zag, of wat zij in de mijne zagen, er was alleen die raadselachtige, zeldzame herkenning van twee mensen die elkaar passeren, drie seconden van hevige verliefdheid doormaken en elkaar dan nooit meer terugzien.' De kennismaking kon niet korter zijn, zou Piet Paaltjens zeggen in het gedicht 'Aan Rika' uit Snikken en grimlachjes (1867), dat begint met: 'Slechts éénmaal heb ik u gezien'. Lachwekkende romantiek? In het geheel niet. Het kunnen kervende momenten zijn, om nog lang op te teren.

Begin januari 2011 probeert Meneer B. uit zijn winterdepressie te kruipen. In de vroege ochtend staat hij op zijn balkon te roken. Beneden ziet hij het krantenmeisje geluidloos haar werk doen. Muts, gekleurde jas, broek. Het zou een jongen kunnen zijn, maar daar beweegt ze te vrouwelijk voor. Misschien een studente. 'Ik zag haar al eens eerder en bewonder haar. Ze kijkt niet op of om, ze doet haar werk, stil, secuur, alleen.' Soms is oogcontact niet eens nodig voor een besef van herkenning. Zoals het krantenmeisje te werk ging, heeft Alfred Birney zelf ook vele jaren aan zijn schrijftafel gezeten.

****

De Arbeiderspers; 359 pagina's € 24,99.

NBD Biblion

G. Boomsma
Nadat zijn column in de Haagsche Courant afliep en vóór verschijnen van zijn bestsellerroman 'De tolk van Java' schreef Alfred Birney tussen 2005 en 2011 een dagboek. Die roman krijgt nu een autobiografische achtergrond, hoewel Birney zich verschuilt achter een pseudoniem: 'Meneer B'. B leeft 's nachts en slaapt een gat in de dag en heeft een zwakke conditie, die uitloopt op een hartinfarct. Zijn verlangen naar (jonge) vrouwen botst op het besef bespiegelingen te schijven alsof hij, bijna-zestiger, een oude dwaas is. 'Ik vrees dat ik van gekke vrouwen houd.' Op 17 april 2006 haalt hij een herinnering op aan zijn gewelddadige vader (de 'tolk van Java') die hem afrost. Zijn (niet bestaande) tweelingbroer schiet hem te hulp. De muziek (vooral jaren zestig: Cream, Hendrix, Cohen) steunt hem in zijn eenzame leven. Onthullende en eerlijke memoires van de auteur (1951) die doorbrak met 'De tolk van Java' (2016)*.