Pathodia sacra et profana
Details
Genre
Gedichten,
Bloemlezingen
Onderwerp
Den Haag
Titel
Stemmen van Den Haag / Constantijn Huygens ; samengest. en vert. door Frans Blom, Ilja Leonard Pfeijffer
Auteur
Constantijn Huygens 1596-1687
Samensteller
Frans Blom 1968-
Samensteller
Ilja Leonard Pfeijffer
Taal
Latijn, Meertalig, Nederlands, Latijn
Oorspr. taal
Latijn
Editie
2
Uitgever
Amsterdam: Prometheus, 2013
171 p., [16] p. pl. : ill.
171 p., [16] p. pl. : ill.
Aantekening
Gedichten in het Latijn naast Nederlandse vertaling
ISBN
9789044623079
Besprekingen
Leeswolf
Neolatijnse grapjes over een kosmopolitisch dorpDe Haagse diplomaat, hoveling, amateur-wetenschapper…
Neolatijnse grapjes over een kosmopolitisch dorp
De Haagse diplomaat, hoveling, amateur-wetenschapper, musicus en dichter Constantijn Huygens heeft de liefde voor zijn stad in meerdere gedichten bezongen. Van het vroege werk Batava Tempe (1621) dat een lente-, zomer-, herfst- en winterdag beschrijft in het Voorhout — de schaduwrijke laan waar Huygens woonde — tot het late Zee-straet (1667) over de geplaveide weg die Huygens had laten aanleggen en die Den Haag met Scheveningen verbindt, Huygens heeft gedurende zijn hele lange loopbaan als dichter de schoonheid van zijn geboortestad bezongen. Nergens deed hij dat echter zo compleet als in zijn Haga vocalis (Stemmen van Den Haag, 1655). De opzet van de verzameling gedichten is eenvoudig: Huygens geeft elke straat van zijn Den Haag een stem. In honderdvijftig versjes komen honderd straten en vijftig ‘vooraanstaande’ gebouwen van de stad aan het woord om zichzelf te beschrijven en hun eigen lof te zingen. De dichtvorm die Huygens hiervoor hanteert is het epigram. Het puntdicht of sneldicht is altijd de dichtvorm geweest waarin Huygens, met zijn voorliefde en talent voor vernuftig woordspel, echt kon schitteren. Dat is dan ook precies wat de Stemmen van den Haag aan de lezer voorschotelen: honderdvijftig vernuftige Latijnse versjes met woordspelingen op Nederlandse straatnamen.
In de uitstekende en amusante inleiding van Ilja Leonard Pfeijffer, ‘Huygenshumor’, benadrukt de auteur hoe moeilijk — nagenoeg onmogelijk — Huygens’ voornemen wel is. Honderdvijftig keer iets grappig schrijven over straten met namen als de Veerkade of de Hoogstraat, het is niet elke dichter gegeven. Door het schier onmogelijke van Huygens’ zelfopgelegde taak te benadrukken, zet Pfeijffer echter ook in de verf hoe moeilijk het wel is om van Huygens’ zeventiende-eeuwse Neolatijnse woordspelingen — waarbij Huygens vaak zelf Latijnse varianten of een Latijnse etymologie voor de straatnamen verzint —eenentwintigste-eeuwse vertalingen te maken. Dat is vooral het geval als de hedendaagse lezer van die vertalingen verwacht dat ze opnieuw grappig, spitant of vernuftig zijn. Hier en daar is er inderdaad een versje waarvan de vertaling tamelijk ondoorzichtig is voor een niet-Hagenaar (of misschien een niet-Nederlander), zodat je zonder eens snel te googelen niet meteen begrijpt wat er staat (zo wist ik niet dat ADO de Haagse voetbalclub is en dat hun stadion tot in 2007 in het Zuiderpark stond). En soms hebben de vertalers een voetnoot nodig om duidelijk te maken waar een en ander op slaat. Maar precies die ‘obscuriteit’ was naast vernuftigheid een van de meest kenmerkende stijlelementen van Huygens’ dichtwerk. Op dat vlak houden de vertalingen maat met Huygens’ poëzie – een vluchtige lectuur volstaat niet om de concetto van elk gedicht te doorgronden. De vertaalde epigrammen zijn dan ook voor het grootste deel geslaagde combinaties van zeventiende-eeuwse met hedendaagse referenties, die de liefde die Huygens voor zijn stad gevoeld moet hebben springlevend maken.
In het nawoord van Frans Blom, ‘Bouwen in steen en woorden: Huygens en Den Haag’, is er uitgebreid aandacht voor de status van Den Haag in de complexe politieke situatie van de zeventiende-eeuwse Republiek. Den Haag was geen stad als de andere in die jonge Nederlandse natie: hoewel het een groter bevolkingsaantal had dan verschillende van de ‘echte’ steden, had het van oudsher geen stedelijke privileges. Den Haag, hoe kosmopolitisch ook (zelfs in de zeventiende eeuw), was eigenlijk een dorp. Hoe Huygens deze heikele situatie benaderde, wordt uiteengezet in Bloms nawoord. Hier is ook aandacht voor de verknochtheid van de dichter aan zijn stad en voor de verwevenheid van de sociale status van de stad met die van de (van Zuid-Nederlandse immigranten afkomstige) social climber die Huygens toch was. Ook Huygens' rol als officieuze ‘stadsarchitect’ wordt hier uit de doeken gedaan.
De achterflap van het boek stelt dat Stemmen van Den Haag gemaakt is voor ‘liefhebbers van historisch erfgoed dat spreekt’. Deze aanbeveling mag erg letterlijk genomen worden: de vertalers geven Huygens’ literair historisch erfgoed een nieuwe stem zoals Huygens dat met zijn geliefde Den Haag heeft gedaan.
[Lise Gosseye]
De Haagse diplomaat, hoveling, amateur-wetenschapper, musicus en dichter Constantijn Huygens heeft de liefde voor zijn stad in meerdere gedichten bezongen. Van het vroege werk Batava Tempe (1621) dat een lente-, zomer-, herfst- en winterdag beschrijft in het Voorhout — de schaduwrijke laan waar Huygens woonde — tot het late Zee-straet (1667) over de geplaveide weg die Huygens had laten aanleggen en die Den Haag met Scheveningen verbindt, Huygens heeft gedurende zijn hele lange loopbaan als dichter de schoonheid van zijn geboortestad bezongen. Nergens deed hij dat echter zo compleet als in zijn Haga vocalis (Stemmen van Den Haag, 1655). De opzet van de verzameling gedichten is eenvoudig: Huygens geeft elke straat van zijn Den Haag een stem. In honderdvijftig versjes komen honderd straten en vijftig ‘vooraanstaande’ gebouwen van de stad aan het woord om zichzelf te beschrijven en hun eigen lof te zingen. De dichtvorm die Huygens hiervoor hanteert is het epigram. Het puntdicht of sneldicht is altijd de dichtvorm geweest waarin Huygens, met zijn voorliefde en talent voor vernuftig woordspel, echt kon schitteren. Dat is dan ook precies wat de Stemmen van den Haag aan de lezer voorschotelen: honderdvijftig vernuftige Latijnse versjes met woordspelingen op Nederlandse straatnamen.
In de uitstekende en amusante inleiding van Ilja Leonard Pfeijffer, ‘Huygenshumor’, benadrukt de auteur hoe moeilijk — nagenoeg onmogelijk — Huygens’ voornemen wel is. Honderdvijftig keer iets grappig schrijven over straten met namen als de Veerkade of de Hoogstraat, het is niet elke dichter gegeven. Door het schier onmogelijke van Huygens’ zelfopgelegde taak te benadrukken, zet Pfeijffer echter ook in de verf hoe moeilijk het wel is om van Huygens’ zeventiende-eeuwse Neolatijnse woordspelingen — waarbij Huygens vaak zelf Latijnse varianten of een Latijnse etymologie voor de straatnamen verzint —eenentwintigste-eeuwse vertalingen te maken. Dat is vooral het geval als de hedendaagse lezer van die vertalingen verwacht dat ze opnieuw grappig, spitant of vernuftig zijn. Hier en daar is er inderdaad een versje waarvan de vertaling tamelijk ondoorzichtig is voor een niet-Hagenaar (of misschien een niet-Nederlander), zodat je zonder eens snel te googelen niet meteen begrijpt wat er staat (zo wist ik niet dat ADO de Haagse voetbalclub is en dat hun stadion tot in 2007 in het Zuiderpark stond). En soms hebben de vertalers een voetnoot nodig om duidelijk te maken waar een en ander op slaat. Maar precies die ‘obscuriteit’ was naast vernuftigheid een van de meest kenmerkende stijlelementen van Huygens’ dichtwerk. Op dat vlak houden de vertalingen maat met Huygens’ poëzie – een vluchtige lectuur volstaat niet om de concetto van elk gedicht te doorgronden. De vertaalde epigrammen zijn dan ook voor het grootste deel geslaagde combinaties van zeventiende-eeuwse met hedendaagse referenties, die de liefde die Huygens voor zijn stad gevoeld moet hebben springlevend maken.
In het nawoord van Frans Blom, ‘Bouwen in steen en woorden: Huygens en Den Haag’, is er uitgebreid aandacht voor de status van Den Haag in de complexe politieke situatie van de zeventiende-eeuwse Republiek. Den Haag was geen stad als de andere in die jonge Nederlandse natie: hoewel het een groter bevolkingsaantal had dan verschillende van de ‘echte’ steden, had het van oudsher geen stedelijke privileges. Den Haag, hoe kosmopolitisch ook (zelfs in de zeventiende eeuw), was eigenlijk een dorp. Hoe Huygens deze heikele situatie benaderde, wordt uiteengezet in Bloms nawoord. Hier is ook aandacht voor de verknochtheid van de dichter aan zijn stad en voor de verwevenheid van de sociale status van de stad met die van de (van Zuid-Nederlandse immigranten afkomstige) social climber die Huygens toch was. Ook Huygens' rol als officieuze ‘stadsarchitect’ wordt hier uit de doeken gedaan.
De achterflap van het boek stelt dat Stemmen van Den Haag gemaakt is voor ‘liefhebbers van historisch erfgoed dat spreekt’. Deze aanbeveling mag erg letterlijk genomen worden: de vertalers geven Huygens’ literair historisch erfgoed een nieuwe stem zoals Huygens dat met zijn geliefde Den Haag heeft gedaan.
[Lise Gosseye]
NBD Biblion
R. van Vliet
In een soort stratenboek met 150 versjes leidt Constantijn Huygens (1596-1687) de lezer rond langs…
In een soort stratenboek met 150 versjes leidt Constantijn Huygens (1596-1687) de lezer rond langs Haagse straten, lanen, buurten en parken. De Latijnse epigrammen zitten dankzij hun woordspelingen vol met verbale knipogen. Er valt geen kwaad woord, zelfs niet over de hoerenbuurt Padmoes, de Lange en Kromme Poten. De versjes zijn geniaal vertaald, waardoor de verzonnen etymologieën, de onverwachte associaties en de dubbele paradoxen nog altijd humoristisch zijn. De taalgrapjes, typerend voor classicihumor, hebben hun effect ook voor niet-classici behouden. Voor de vertaling tekenden Huygensspecialist Frans Blom en Den Haag-kenner Ilja Leonard Pfeijffer. In de inleiding leggen zij uit wat het typerende is van Huygens’ humor. De uitleiding beschrijft de groei van de grafelijke residentie tot een politiek machtscentrum met paleizen, vergaderzalen en logementen waar politici en diplomaten hun verblijf hielden. Een biografie van Huygens en zijn woonhuis aan het Plein complementeert de bundel. De vele illustraties (deels in kleur) laten de lezer met eigen ogen zien hoe het Den Haag van Huygens eruitzag.