Details
216 p. : ill.
Besprekingen
De Morgen
Ed Franck in de voetsporen van Lewis Carroll & Edgar Allan Poe
Absurde humor en bloedstollende gruwelverhalen
In twee nieuwe boeken laat Ed Franck bekende personages als Alice, de Hoedenmaker en Roderick Usher weer tot leven komen. Hij neemt de lezer mee naar het kleurige Wonderland van Lewis Carroll en de vochtige kelders en duistere kastelen van Edgar Allan Poe.
Met Lewis Carroll en Edgar Allen Poe koos Ed Franck twee auteurs van formaat uit om te bewerken. Alice in Wonderland en Nachten vol angstaanjagende schoonheid zijn bijzonder mooie boeken geworden met prachtige illustraties.
In 1865 publiceerde Lewis Carroll zijn Alice's Adventures in Wonderland. Anderhalve eeuw later blijft het boek tot de verbeelding spreken. Onlangs maakte Tim Burton een vervolg op Carrolls wonderlijke verhaal met Johnny Depp in de rol van de Mad Hatter en Helena Bonham Carter als de bloeddorstige Red Queen. Al blijft de bekendste bewerking vermoedelijk de Disneyfilm uit 1951 met de iconische blonde Alice in lichtblauwe jurk. Illustratrice Rébecca Dautremer onder meer bekend van Het grote boek van vergeten prinsessen maakt nu een eigentijdse versie van Alice, met kort donker haar en guitige sproeten.
Het is even wennen aan het nieuwe uiterlijk van Alice en haar beroemde vrienden, maar het resultaat is wondermooi. Naar de keuken van de Hertogin kun je bijvoorbeeld blijven kijken en steeds nieuwe dingen in ontdekken: in de lades van een blauwe kast zit van alles verstopt, op de vloer liggen speeltjes en de Hertogin zelf draagt allerlei verfijnde juwelen. Grote kleurenprenten worden afgewisseld met originele kleine zwart-wittekeningen. Zo zien we de baby van de Hertogin stapsgewijs in een varkentje veranderen.
Ed Franck volgt het originele verhaal redelijk trouw. Hoewel het geen sinecure is om Carrolls absurde taalspel te vertalen, slaagt hij er doorgaans in de geest van de nonsensliteratuur te bewaren. Zo vertaalde hij meesterlijk de vakken die de Nepschildpad op school kreeg: "We hadden het vak geheimenis oude en moderne geheimenis en aardreiskunde, en vertekenen (...) elastiek, om ons lichaam fit te houden."
Om het absurde Britse verhaal dichter te brengen bij de leefwereld van kinderen van nu, kortte Franck langdradige stukken in en schrapte onbegrijpelijke verwijzingen naar de Victoriaanse tijd. Het klinkt als heiligschennis, maar hij creëerde een nieuwe klassieker.
Ook de bewerking van de gruwelverhalen van Edgar Allan Poe is zeer geslaagd. In Nachten vol angstaanjagende schoonheid brengt Franck een aantal verhalen samen, prachtig geïllustreerd door Carll Cneut.
Ondraaglijke angst
Het boek begint sterk met 'De ondergang van het geslacht Usher', waarin de schilderijen van Roderick Usher beschreven worden. Het zou even goed kunnen gaan over de illustraties van Cneut: "Bij elke penseelstreek namen zijn schilderijen in duisterheid en vaagheid toe. Ze deden me huiveren, vooral omdat ik niet wist waarom ze zo'n lugubere indruk op me maakten. Toch waren ze heel eenvoudig, bijna naakt van tekening, maar er dampte een bijna ondraaglijke angst uit op." De donkere prenten van Cneut vaak zien we de personages in profiel of als silhouet dragen bij tot de macabere, mysterieuze sfeer van de verhalen.
Franck herinnert er ons aan dat Edgar Allan Poe (1809-1849) visionair was. Met 'De moorden in de Rue Morgue' schreef hij een voorloper van het detectiveverhaal, met Dupin als prototype van de intelligente onderzoeker met analytische geest. En het bloedstollende verhaal 'De put en de slinger' ligt ten grondslag aan de psychologische folterhorror uit films als The Cube en Saw. In dat verhaal wordt een ketter door monniken opgesloten in een kerker, waar hij probeert te ontsnappen aan gruwelijke vallen.
In bijna alle verhalen is de natuur verwoestend en de mens krankzinnig: een man slaat in razernij zijn vrouw de kop in met een bijl, een maalstroom van water slokt boten op, lijken worden verstopt onder houten vloeren en schoorstenen en bijna alle personages hebben een vleugje waanzin in hun ogen.
Met Alice in Wonderland en Nachten vol angstaanjagende schoonheid maakte Ed Franck twee prachtige boeken die de lezer meenemen naar een heel eigen wereld. Ideaal voor regenachtige herfstdagen, binnen onder een dekentje.
Leeswelp
‘Het geheim van Alice is taal’. Dat is de titel van een artikel van Mirjam Noorduijn in De Leeswelp (2006, nr. 5) naar aanleiding van drie nieuwe uitgaven van Alice in Wonderland. Steeds weer komen er nieuwe vertalingen van een van de bekendste klassiekers uit de wereldliteratuur en elke vertaler gaat opnieuw de uitdaging — of is het de strijd? — aan met Lewis Carrolls taalvirtuositeit en ingewikkelde nonsensdichterij. Vrijwel elke vertaler voelt zich ook enigszins genoodzaakt om te wijzigen, te knippen of te herwerken in de tekst. Ook in de vertalingen die nadrukkelijk trouw willen blijven aan de oorspronkelijke tekst, wordt in het zoeken naar een evenwicht tussen Engels en Nederlands, tussen negentiende-eeuws en hedendaags, in hoge mate een beroep gedaan op de creativiteit en de buigzaamheid van de vertaler.
Hoewel Lewis Carroll De avonturen van Alice in Wonderland voor kinderen schreef, en meer bepaald voor zijn kleine vriendinnetje Alice Liddell, heeft het boek vandaag in de eerste plaats een positie verworven in de klassieke galerij van de volwassenenbibliotheek. ‘Alleen doordat volwassenen — vooral natuurwetenschappers en wiskundigen — de Alice-boeken blijven koesteren, zijn ze verzekerd van onsterfelijkheid’, schrijft Martin Gardner in de Aantekeningen bij Alice (Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2009). Dat belet niet dat er ettelijke kinderversies op de markt zijn, die in min of meerdere mate gesleuteld hebben aan het origineel. Dat is nodig, omdat de afstand tussen een kinderverhaal van bijna honderdvijftig jaar geleden en een hedendaagse versie danig groot is, en de lectuurbehoefte van kinderen vandaag heel andere eisen stelt. Desondanks valt het op dat de vertaling van Nicolaas Matsier, die uitgesproken trouw is aan het origineel, ook in een uitgave voor kinderen is verschenen, met illustraties van Lisbeth Zwerger (De Vier Windstreken, 1999). En ook Sofia Engelsman, die zich met haar vertaling expliciet tot een jong publiek richt, volgt de oorspronkelijke tekst nauwgezet, vindt toegankelijke alternatieven voor woorden en zinswendingen, maar maakt geen drastische aanpassingen in de inhoud of het tekstverloop. Haar schroomvolle vertaling botst zelfs opvallend met de bekende en bekroonde illustraties van Helen Oxenbury, die van Alice wél helemaal een kind van deze tijd maakt — een gangbaar kinderboekenkind zeg maar, een fris en vrolijk meisje met blonde haren en een open blik, met de uitdrukkelijke bedoeling om jonge kinderen aan te spreken. Deze uitgave uit 1999 bij Gottmer blijft zeer goed op de markt en heeft, samen met Alice in Spiegelland (2006) uitgegeven in een box, een klassieke status verworven in de kinderliteratuur.
Snedig, en met respect?
Werken de twee genoemde uitgaven voor kinderen vooral drempelverlagend door het gebruik van nieuwe, hedendaagse illustraties, dan ligt dat voor de Alice in Wonderland die pas bij Davidsfonds verscheen, enigszins anders. De bewerking van Ed Franck situeert zich ergens tussen gepaste schroom en vrije adaptatie in. Franck zelf noemt zijn tekst in het nawoord ‘een nogal vrije vertaling’, met ‘kleine ingrepen’ om de tekst snediger te maken en ‘zowel de leesbaarheid als het leesplezier voor jong en oud te bevorderen’. ‘Klein’ kun je de ingrepen echter niet noemen, zoals ze in het nawoord zijn opgesomd. Samengevat komt het erop neer dat Franck al wat hij ‘langdradig’, ‘omslachtig’, ‘overdreven’, ‘vergezocht’, ‘zwak’, ‘verward’ of ‘onbegrijpelijk’ vond, heeft aangepast of weggeknipt. Dat, in combinatie met de uitspraak dat dit ‘met alle respect’ gebeurde en zonder ‘de spirit van Lewis Carroll [te] verraden’, doet allicht hier en daar wat wenkbrauwen fronsen. Wie een bewerking maakt — en dat is in dit geval een passender term dan ‘vertaling’ —, heeft alleszins een veel grotere vrijheid om in het originele werk in te grijpen dan een vertaler. Schroomvol kun je Francks omgang met Carrolls werk niet noemen en aan de heilige huisjes van de klassieke canon laat hij zich niets gelegen. Dat neemt niet weg dat deze Alice wel leest als een trein — dit geheel op maat van lezers van vandaag en absoluut tegen de geest van Carroll in. Neem bijvoorbeeld het begin. Het openingsgedicht, ‘Al in het gouden middaguur’ — of in de kindvriendelijke vertaling van Engelsman: ‘Zo op een gouden zomerdag’. Carroll roept hierin de herinnering op aan een boottochtje op de Theems met de zusjes Liddell, waarbij hij hen de verhalen vertelde waaruit Alice in Wonderland is gegroeid. Het gedicht is in Francks bewerking weggelaten; hij kiest ervoor om meteen in het verhaal te duiken en hij gooit de alom bekende openingspassage — ‘Alice begon er genoeg van te krijgen om naast haar zusje aan de waterkant te zitten zonder iets te doen. […]’ (vert. Sofia Engelsman) — drastisch om. ‘Roetsj… een konijnenhol in!’ is de titel en de vaart die daarin gesuggereerd wordt, wordt meteen in de tekst voortgezet:
Het gebeurde op een bloedhete zomerdag.
Alice zat op de oever van een rivier een beetje suf en slaperig voor zich uit te staren. Ze verveelde zich. Haar grote zus zat naast haar een boek te lezen. Wie leest er nu een boek zonder plaatjes. En er wordt niet eens in gebabbeld!
Ze vroeg zich af of het vlechten van een madeliefjesketting leuk genoeg was om op te staan, toen er opeens een Wit Konijn met roze ogen voor haar neus langsrende.
Waar Carrolls tekst dit bijzondere feit in vrij langzame volzinnen laat gebeuren — iets waarin de meeste vertalers hem volgen —, vraagt Franck op een directe manier je aandacht. Hier gebeurt iets, daar gaat het om, niet om de beschrijving van de situatie of het oproepen van sfeer. En hoewel zijn tekst niet opvallend veel korter is dan de oorspronkelijke — of dan Matsiers of Engelsmans vertaling — ligt het tempo hoger en hebben de zinnen meer stuwkracht. En daar is het Franck echt wel om te doen. In het zoeken naar een antwoord op de vraag hoe je een klassiek werk, dat in tijd, stijl en gedachtegoed zo ver van ons afligt, opnieuw bij de hedendaagse jonge lezer brengt, veroorlooft hij zich de vrijheid om te herschrijven wat hem goeddunkt. Zo heeft bijvoorbeeld ook het gedichtje over ‘de kleine krokodil’ een heel eigen vorm en tempo gekregen. Een noodzakelijke aanpassing voor kinderen van vandaag? Niet voor de vertaler die de brontekst trouw wil blijven, dat bewijst de erg geslaagde versie van bijvoorbeeld Engelsman. Maar in het geval van Franck lijkt het alsof de schrijver en de vertaler in hem een voortdurende strijd om het overwicht voeren. Het mag duidelijk zijn dat de schrijver het pleit doorgaans wint. Franck grijpt immers ook in de structuur en het verhaalverloop in. Zo zijn de scènes op het croquetveld, met onder andere het verschijnen en verdwijnen van de Grapkat en het verhaal van de Nepschildpad, stevig omgewoeld. Als je de bekende scène waarin Alice, de Nepschildpad en de Griffioen het hebben over het schoolsysteem in Engelsmans vertaling vergelijkt met Francks bewerking, dan zie je dat Engelsman ook in een expliciet bedoelde kinderversie waarde hecht aan een woordspel in de geest van Carroll. Franck laat daar al sneller iets liggen ten voordele van persoonlijke accenten. En hoewel hij ook vaak een creatief, op de eigen tijd geënt taalspel laat zien, hecht hij blijkbaar meer waarde aan de manier van vertellen dan aan het woord. Als het geheim van Alice inderdaad in de taal schuilt, dan raakt Franck wel aan het hart van dit meesterwerk.
Groots en intens
De fraaie vormgeving van deze Alice in Wonderland draagt aanzienlijk bij tot een aangename en gezwinde lectuur. De tekstblokken, met kleine, soms geïllustreerde inzetten met uitspraken of versjes, laten veel witruimte over en geven lucht aan de bladzijden. Rebecca Dautremer heeft naast een groot aantal paginagrote schilderingen ook potloodschetsen ingelast en de hoofdstuktitels zijn telkens fraai (een tikje art-nouveaustijl) geïllustreerd. Er zit heel wat beweging in deze bladzijden, die dan plots weer ingetoomd wordt door een van Dautremers grootse, geschilderde prenten. Alice, een verstild, wat melancholisch kijkend meisje, wordt vaak in close-up afgebeeld. Ze is in tegenstelling tot de meeste Alice-figuren (schoolmeisjes met lange blonde lokken) geïnspireerd op Carrolls muze, een meisje met een kort, donker kapsel. De foto vooraan in het boek is genomen door Lewis Carroll en beeldt Alice Liddell af, verkleed als bedelmeisje. De licht theatrale toets van deze pose correspondeert mooi met Dautremers illustraties in romantiserende retrostijl. Zij houdt van het grote gebaar en de opeenvolgende perspectiefwisselingen geven een sterke dynamiek aan haar prenten. Maar zij schildert ook precieus en met veel detail, wat maakt dat je toch bij elke prent stilstaat. Wie goed kijkt, ziet een oorspronkelijke tekening van Alice van John Tenniel aan de muur hangen en Lewis Carroll komt zelf ook in dit verhaal voor, in een lijstje, naast het portret van de Hartenkoningin en haar particuliere reglement voor het croquetspel. Een boek dat door Rebecca Dautremer geïllustreerd werd, is altijd een intense beleving. De close-ups bieden schitterende karakteristieken van wonderlijke figuren als de Hoedenmaker, de Hertogin, de Hartenkoningin of de Nepschildpad. De maffe theevisite of de loopwedstrijd zijn ware spektakels van grotesken en bizarrerieën, en je kijkt je ogen uit in de keuken van de Hertogin en op het speelveld van de Hartenkoningin. Tussen deze fantastische taferelen door tekent Dautremer allerhande raadselige schetsjes en rebussen, een visuele representatie zowaar van Lewis’ taalspel. Dit alles speelt zich af tussen de openings- en de afsluitende prent. Zij vormen het kader van het verhaal: in de eerste ligt Alice op de sofa wat dromerig voor zich uit te kijken, op de laatste wordt het meisje net wakker, nog een spoor van slaap over haar gezicht en een blaadje in de haren als raadselachtig restant van haar wonderlijke droomavontuur.
Rekenschap
Deze Alice in Wonderland is een intrigerend boek, schitterend uitgegeven op groot formaat, dat het dubbele publiek dat de uitgever voor ogen heeft — het is in het volwassenenfonds verschenen — dubbel en dwars verdient, ook al heeft Ed Franck met zijn bewerking in de eerste plaats een jong publiek voor ogen, en strijkt hij ware Carrollianen wellicht stevig tegen de haren in. Want bij de afweging om het literaire erfgoed te bewaren en het schenken van een nieuwe adem aan hetgeen als gedateerd wordt ervaren, is zijn keuze zonder meer duidelijk, ook al lijdt het oorspronkelijk karakter van het werk daar onder. Wie echter aan een monument wil ‘prutsen’, zoals Franck het zelf noemt, doet dat beter niet zonder daar enig rekenschap voor te geven. Een klassieker in bewerking is vogelvrij en in het bijzonder bij bewerkingen voor kinderen wordt er vaak roekeloos met de brontekst omgesprongen ten behoeve van wat men denkt dat kinderen zal aantrekken. Franck heeft Alice in Wonderland allerminst vogelvrij verklaard, maar zijn nawoord houdt het grotendeels bij het opsommen van wat er aan Alice schort voor lezers van vandaag. Hij is zeer kort en al te stellig in zijn uitleg, een verantwoording kun je het nauwelijks noemen. Met zijn bewerking bewijst hij nochtans dat er tussen het ontzien van ‘de heilige literaire canon’ en het driftig verknippen op maat van de markt van vandaag, nog een heel scala aan mogelijkheden ligt. Een wat serieuzere achtergrond bij deze bewerking was dus alleszins wenselijk geweest. Allereerst ten behoeve van het ruime publiek waar dit boek op mikt, maar ook om de positie die de oorspronkelijke en hedendaagse versie innemen te kaderen. [Jen de Groeve]
NBD Biblion
Pluizer
Ed Franck zegt zelf in een eerder bondig (gezien de aanpassingen die hij werkelijk maakte) nawoord dat hij ernaar streefde om het verhaal waarvan hij zich afvraagt of het wel geschikt is voor de leeftijdsgenoten van Alice, een nieuw leven in te blazen, gericht op de jongeren van vandaag. Hij slaagde in zijn opzet; de tekst is werkelijk frisser en ontdaan van een paar minder actuele weetjes en Victoriaanse elementen. Ed Franck wijkt soms af van de originele tekst, maar gaat daarin nooit zo ver dat hij in een platte Disney-versie vervalt.
De poëzie van zijn tekst gaat harmonieus samen met de prachtige toverwereld die Rébecca Dautremer schiep. Haar Alice heeft kort zwart haar, zo anders dan de blonde Alice die doorgaans afgebeeld wordt, maar daardoor meer getrouw aan de originele muze van het verhaal: Alice Lidell. Het boek opent ook met een foto van Lewis Carolls vriendinnetje, alsof ze je uitnodigt om mee te lezen. De illustraties zijn groots en krijgen omwille van het grote formaat ook alle ruimte. Dautremer wisselt kleurrijke taferelen af met kleine detailrijke schetsen.
Dit boek heb je niet in één, twee, drie voorgelezen of uitgelezen, maar moet je rustig de aandacht geven die het verdient. De overgave waarmee bewerkt en geïllustreerd werd, vind je helemaal terug in het boek. En al loopt de tekst geen treinvaart, dit boek dompelt je helemaal onder in een wereld waar je met plezier telkens opnieuw in weg zal duiken.