Boek

Vanuit het vacuüm

Vanuit het vacuüm
×
Vanuit het vacuüm Vanuit het vacuüm
Boek

Vanuit het vacuüm

In de reeks: Eigentijdse poëzie ; #13
Nederlands
2010
Volwassenen
VANUIT HET VACUUM: debuutbundel van Jan Vissers. Alles is mogelijk in de gedichten van Jan Vissers. Ze roepen verwondering op maar gaan dara zelf losjes aan voorbij, ze accepteren het vreemde en omarmen het. Ze dragen de werkelijkheid als een ongemakkelijke jas die nog goed is.Het kweken van een appel is even goed als de zon op een achterspatbord. De kleine Bach is even goed als een bange kolonel.…
VANUIT HET VACUUM: debuutbundel van Jan Vissers.
Alles is mogelijk in de gedichten van Jan Vissers. Ze roepen verwondering op maar gaan dara zelf losjes aan voorbij, ze accepteren het vreemde en omarmen het. Ze dragen de werkelijkheid als een ongemakkelijke jas die nog goed is.
Het kweken van een appel is even goed als de zon op een achterspatbord. De kleine Bach is even goed als een bange kolonel. Met deze bundel stap je binnen in een wereld die, zoals je je na enige tijd verbaasd realiseert, de jouwe is.
Genre Gedichten
Titel Vanuit het vacuüm
Auteur Jan Vissers
Taal Nederlands
Editie 1
Uitgever Amsterdam: Voetnoot, 2010
45 p.
ISBN 9789078068648

Leeswolf

‘Als je jong bent, kan je je vergissen / en denken gelijk te hebben. / Terwijl de rivier, aarde, een kraai / weten dat het niet zo is’. Het maakt echt niet uit welke bladzijde de lezer openslaat in Jan Vissers’ debuutdichtbundel Vanuit het vacuüm, je voelt onmiddellijk aan dat het mens-zijn gerelativeerd wordt. Een al even treffend voorbeeld is de openingsstrofe van ‘Vlekjes’, waarin de ik-figuur door een alledaagse gebeurtenis gehinderd wordt in zijn zoektocht naar de waarheid: ‘Op de krant die ik aan het lezen ben / zit een vlekje, / precies waar de waarheid staat. / Nu weet ik niet welke die is’.
Vissers laat de figuren in zijn dichtbundel zowel dromen als met beide voeten op de grond staan. Zo ligt de ik-figuur in ‘Zomer’ languit in een uitspanning in het zand terwijl hij als een zorgeloos kind de omgeving observeert: ‘Hoog in de lucht en wit / de meeuwen, het oog / dat alles ziet, vleugels / die dreven op de wind’. In ‘Homunculus’ daarentegen maakt het dromerige plaats voor het zakelijke en wordt de omzetmarkt van China besproken alsof het zo uit een financieel economische krant of tijdschrift gehaald is: ‘De oogst ontstijgt het lokale, / China is een gigantische markt / en India telt tien miljoen ambtenaren’.
Het mooiste gedicht uit de bundel is ‘Familie’, waarin het ouder worden op een ontroerende manier wordt weergegeven: ‘Zodra de kinderen het huis uit zijn, / verlaten de ouders de stad, / zodat ook zij nergens een thuis hebben’. De filosofische ondertoon die voelbaar is in dit gedicht is tekenend voor heel de bundel. Vissers mag dan al uitgaan van de werkelijkheid in zijn gedichten, vaak neemt die realiteit bevreemdende vormen aan als ‘een ongemakkelijke jas die nog goed is’. De lezer die dit bevreemdende aspect in de dichtbundel weet te appreciëren en te omarmen, dringt door tot de kern van Vissers’ debuutbundel. Op het eerste gezicht lijkt deze dichtbundel banaal, maar wie dieper graaft, realiseert zich dat de gedichten stuk voor stuk en keer op keer een oprechte verwondering oproepen.
[Nicolas Verscheure]