Boek

De bloemen : roman

De bloemen : roman
×
De bloemen : roman De bloemen : roman
Boek

De bloemen : roman

Nederlands
2010
Volwassenen
Kroniek van een Vlaamse familie waarin langs de mannelijke lijn wordt verteld over de veranderingen die zich in de loop van de twintigste eeuw voltrokken, met name de veranderde omgang met het katholiek geloof
Persoononderwerp Peeters, Koen
Titel De bloemen : roman
Auteur Koen Peeters
Taal Nederlands
Uitgever Antwerpen: Meulenhoff/Manteau, 2010 (Andere uitgaven)
236 p.
ISBN 9789085423003

De Morgen

Koen Peeters zit zijn voorvaderen op de hielen in fijnzinnige familieroman
Dirk Leyman - 23 september 2009

Koen Peeters zit zijn voorvaderen op de hielen in fijnzinnige familieroman

Een klein Kempisch boekske

Een onversneden familieroman, dat verwacht je niet meteen van ironicus Koen Peeters. In De bloemen brengt hij het lijnenspel tussen de generaties en tussen vaders en zonen fijnmazig in kaart. Na zijn erg geslaagde Grote Europese Roman opteert hij voor een 'klein Kempisch boekske'. Maar wat een rijk boekske.

"Stamboom, wat een vreemd woord vond ik dat altijd al, voor dat knoestige, vervlochten struikgewas van genetica. Zoals in een streekroman, gaat het over eenvoudige, wonderbaarlijke levens in de Kempen", zo noteert de verteller in De bloemen zijn missie. Op het eerste gezicht verandert Koen Peeters het geweer drastisch van schouder met deze stevige heimatroman, die een volle eeuw bestrijkt en de levens van zijn grootmoeder en grootvader, ooms en vader op de hielen zit. Maar voor een rechtoe rechtaan familiesaga vol straffe anekdotiek moet je natuurlijk niet bij Peeters zijn. Eerder toont hij zich ditmaal een verre discipel van Walter van den Broeck of Leo Pleysier, die Kempense familiegeschiedenissen ook al als humus gebruikten om ze op een hoger literair niveau te tillen.

Peeters is in De bloemen een nauwgezette, bijna ingetogen notulist die zijn verhalen met schrandere, haast achteloze observaties doorspekt. "Minzaam gevoelig" en "waakzaam intelligent", heet het op de achterflap, en dat is eigenlijk best wel een precieze karakteristiek van zijn vertellerspositie. De bloemen gaat over de moderniteit die de traditie besluipt en vermorzelt. Over God die uiteindelijk het hazenpad moest kiezen, omdat de bewoners hem niet meer van doen hebben. Over het robuuste maar nederige karakter van de Kempen, die hij al twintig jaar achter zich heeft gelaten. Over de aarzelende verlangens van zijn voorvaderen naar verandering, naar losbreken uit het keurslijf van het dorpse leven. Maar ook over de competitie tussen vaders en zonen en de "eeuwige Wiederkehr" en "aflossingsangst" in elke generatie, hoe hardnekkig die dat ook wil ontkennen: "Misschien is het verleden een schitterende spiegel." Zeker ook vindt Peeters een nieuwe bedding voor zijn lichtvoetige verzameldrift, die ditmaal is opgehangen aan 'bloemen'. In vrijwel elk hoofdstuk maken geurige planten hun opwachting, van pompondahlia's, hyacinten, petunia's, mimosa, gladiolen, hortensia's, paardenbloemen tot aronskelken. Stuk voor stuk zijn ze de representanten van vervlogen periodes. Want wees maar zeker dat ook bloemen onderhevig zijn aan modes.

Gemiste kansen

Koen Peeters had deze roman wellicht nooit geschreven indien hij via zijn oom Jos niet de brieven van zijn grootmoeder Hortence uit de periode 1939-1945 in handen had gekregen. Ze prikkelden de genealoog in de schrijver en stelden hem wonderlijk genoeg in staat om een compleet tijdsgewricht op te roepen: "Dit wordt een klein vlechtwerkje, zoals men geduldig een pruik maakt. Ik zal alles aan elkaar vastknopen, in strengen die in een ronding van een hoofd worden samengebracht." De vierenvijftig brieven van Hortence waren gericht aan haar zonen (waaronder Peeters' vader René) die toen op het internaat zaten in het seminarie van Hoogstraten. In de epistels overstelpt Hortence de jongens met goede raad en tips voor hun voedingspatroon, maar dist hen ook minutieus de dagelijkse gang van zaken op in het Kempische dorp Gierle, waar ze met haar man Louis woont. Hortence drijft een goed lopend kruidenierswinkeltje, terwijl Louis reizend handelaar is en met zijn eieren een klandizie in Antwerpen opbouwt. Dat gegeven stelt Peeters in staat voortdurend de spanning tussen de grootstad en het platteland bloot te leggen. De voorzichtige Louis wil in het diepst van zijn gedachten een grootser en meeslepender leven, ja, zelfs 'natiebaas' worden en losbreken uit het carcan van Gierle. Hij kijkt zijn ogen uit naar de "dames die petitfours aten, naar de verkoopstertjes in hun uniformpjes. Zo beschikbaar leek alles in de stad." Maar verknochtheden aan de geboortegrond én de druk van het dorpse leven laten zich niet zo gauw wegcijferen. Peeters laat fijntjes aanvoelen dat zijn grootvaders bestaan er ook een is van gemiste kansen, zeker omdat de oorlog hem ook bijna van zijn broodwinning afsnijdt. En van intens verdriet wanneer hun dochtertje Maria door de slag van een molenwiek omkomt. De diepgelovige Hortence, verankerd aan haar geboortegrond, legt zich lijdzamer neer bij de feiten, maar bij Louis knaagt het over de onbarmhartigheid van God die zoiets toelaat. Hij voert onophoudelijk dialogen met de alomtegenwoordige God, waarin agnosticisme al in de maak lijkt.

Gloedvol, ironisch

In het tweede deel portretteert de ik-verteller zijn vader René en wordt de toon onmiskenbaar gloedvoller, maar tegelijk ook fijnzinniger ironisch. Rijkelijk put Peeters nu uit diens archiefkast om zijn verhaal in de stellages te zetten en "snuift hij aan de taal en de gedachten van de jongeling die mijn vader toen was. Past het wel dat ik in zijn dagboek zit te lezen?" Steeds vaker sluipen zijn eigen overwegingen binnen en komen zijn voorvaderen één voor één, als een koor van kakelende stemmen, aan zijn schrijftafel postvatten.

De hooggestemde René hield van de declamatie en was "een meester in het houden van toespraken", die tot drie of vier uur konden duren. Niet verwonderlijk dat hij in de vaderlandse politiek opstuwt ("De politiek. De wereld van de marchands in meningen") waar hij vierentwintig jaar als volksvertegenwoordiger actief was. Hij ziet de Kempen ingepalmd door "de ruilverkaveling, de ruimtelijke ordening, de industrieweg en de snelweg E3, waarop de snelste wagens tegen de ronduit driftige snelheid van honderdwintig kilometer per uur" reden. Uiteindelijk ziet zijn zoon het resultaat van de vooruitgang: "Dit beeld heb ik overgehouden: alle sloten zijn rechtgetrokken, mannen wassen op zaterdag hun auto op de oprit en nooit klinkt er een luide schreeuw in het landschap."

Verdwijnende God

Zelf wordt de kordate René afgetroefd met een boksijzer na een verkiezingsmeeting en is hij bijna één jaar uit roulatie, een tafereel dat Peeters haarscherp op het netvlies beitst. "Het is goed dat jij het allemaal opschrijft", fluistert zijn vader hem in. "We hebben ons lang genoeg verborgen gehouden in kieren en op oud papier, maar nu krijgen onze woorden vleugels." Zelfs op zijn sterfbed - nadat het zware beroep van politicus hem een hartinfarct heeft opgeleverd - hield hij een "briljante, juiste en ontroerende toespraak. (...) Hij sprak tot God gedurende een half uur." Peeters neemt in het slotdeel zelf het estafettestokje over om ten slotte ook de verdwijnende God te kapittelen, die in dit boek in allerlei gedaantes opduikt: "Gij bestaat niet meer, maar naarmate gij ijler wordt, worden wij gevoeliger."

Gevoelig is dit boek vol beheerst vertelplezier alleszins. De bloemen mag volgens de bescheiden schrijver zélf dan wel "een klein Kempisch boekske" zijn, laat je daardoor niet bedotten. De bloemen stijgt hoog uit boven de traditionele streek- en familieroman en speelt ook met de conventies ervan. Veel meer dan op het eerste gezicht lijkt, is deze roman ingekapseld in de rest van Peeters' gestaag uitdijende oeuvre (let zeker op het roodborstje op de eerste pagina, dat de link legt met Grote Europese roman). Om net als de fanfaremuziek van de Brabançonne, die tijdens Louis' begrafenis wordt gespeeld, uit te monden in iets dat "niet te ernstig en tegelijk ontroerend, een beetje grotesk, niet al te strijdvaardig maar toch heldhaftig [is]". Net als "elk mensenleven dat op een of andere manier volbracht is", voegt Peeters er behoedzaam aan toe.

Meulenhoff/Manteau, 236 p., 22,50 euro.

'De bloemen' stijgt hoog uit boven de traditionele streek- en familieroman en speelt ook met de conventies ervan

Peeters is in 'De bloemen' een nauwgezette, bijna ingetogen notulist.

De Standaard

Loopt Gij met ons mee?
Mark Cloostermans - 06 november 2009

Gelukkig maak ik altijd aantekeningen bij het lezen, want het is nu een week geleden dat ik De bloemen uitlas en er is me van de nieuwe Koen Peeters niets bijgebleven. Niet dat het een vervelend boek is, verre van. De bloemen leest prettig weg en hindert geen moment. Toegegeven, grote complimenten zijn dat niet.

De bloemen bestaat uit een aantal verhalen die elkaar vinden. Twee daarvan spelen zich af in het verleden: de levensverhalen van Koen Peeters' vader en grootvader. Een derde verhaal speelt zich af in het heden en toont de auteur zelf, die grasduint in oude brieven en andere documenten. Op basis daarvan reconstrueert/fantaseert hij de levens van zijn grootvader en vader. (In een nawoord waarschuwt de auteur: 'Niets is waar in deze roman. Hij is hooguit zeer losjes geïnspireerd op familieverhalen.') Deze hoofdstukken in het heden hebben iets column-achtigs: nuchtere, haast journalistieke observaties, met milde humor en een likje melancholie. Een beetje in de stijl van Jean-Paul Mulders. De roman culmineert in een apart hoofdstuk, waarin de auteur zich op haast lyrische toon beraadt over zijn relatie met God. Loopt God ook met hem mee, zoals Hij dat een halve eeuw geleden nog deed met zijn voorzaten?

Want God was destijds overal in de Kempen. 'Uit de brieven van mijn grootmoeder blijkt overduidelijk dat volle, onvoorwaardelijke geloof. Iedereen bidt en wordt gevraagd om te bidden. Tussen de personages verschijnt altijd opnieuw dat ene eigenzinnige personage, zijn naam is God', schrijft Peeters. Hij vraagt zich af: 'Hoe kan een mens zo gelovig zijn?'

Vormsel

De auteur maakt die godsvrucht niet belachelijk. Hij geeft amper commentaar en toont: in de beste magisch-realistische traditie wandelt God 'in den vleze' door het verhaal. Nu eens is hij 'een oude, vriendelijke, tandeloze wolf' met een ruwe vacht, dan weer een gewoon mens, die commentaar levert bij de droom van Louis Peeters (de grootvader) om de Kempen te verlaten en naar Antwerpen te verhuizen. Louis voelt de roep van de stad. Hij wil vooruit, hij wil een pakhuis in de haven en misschien wil hij ook wel de verleidingen dichterbij hebben: de mooie vrouwen en de lusteloosheid, hem zo vreemd, van de zazous. De Kempen, 'waar God persoonlijk aan de kinderen het Vormsel kwam uitleggen', kunnen hem hoe langer hoe minder bekoren. Maar de Tweede Wereldoorlog trekt een streep door Louis' droom. Na de oorlog moet hij in loondienst gaan en dooft zijn leven uit als een kaars.

Het is in de beschrijving van de Tweede Wereldoorlog dat Peeters toont wat hij waard is. Er schuift een reeks anekdotes aan de lezer voorbij. Geen enkele daarvan is wereldschokkend; het zijn snelle schetsen, snapshots. Ook in de rest van de roman waakt Peeters erover dat zijn familiale geschiedenis niet groter wordt gemaakt dan ze is. Personages worden snel en geloofwaardig getypeerd, broeiende conflicten of onderdrukte emoties gesuggereerd in een terloopse dialoog.

De bloemen is een klassieke familieroman en Peeters bewandelt de geëffende paden (zoals de onvermijdelijke beschrijving van oude foto's met in de tijd gestolde, onnatuurlijke taferelen), maar hij doet het zo vlotjes en luchtig dat het nooit hindert. Jammer dat Peeters die vertelstijl laat verslappen zodra hij van zijn grootvader naar zijn vader opschuift: in diens levensverhaal zapt hij snel voorbij de essentials, om te kunnen inzoomen op een dieptepunt uit zijn politieke carrière.

Lauw

Onderweg glijdt Peeters geregeld uit, met ondiepe wijsheden ('We schrijven het op om het vast te houden', tja) en nodeloze expliciteringen - voor de schoolkinderen die in hun leesverslag willen vermelden wat de titel betekent: hij wordt uitgelegd op bladzijde 197. Maar tegenover die missers staan enkele beeldschone passages. De dood van Peeters' grootmoeder, bijvoorbeeld, levert een alinea op die we hier in haar geheel zouden moeten kunnen citeren. 'Als mensen sterven, haalt God het licht uit hun ogen, en streelt hij een laatste keer over hun handen', zo begint het. Peeters beschrijft hoe God, oneindig teder, een leven beëindigt. Ook de dood van de grootvader levert opmerkelijk proza op, vooral als wordt uitgelegd waarom hij de Brabançonne wou laten spelen op zijn begrafenis.

Een beetje lof, een beetje kritiek... Ik weet het, dit is een lauwe recensie, maar De bloemen is dan ook een boek waar je het grootste deel van de tijd koud noch warm van wordt. De uitwerking van de (weinig opmerkelijke) verhaalstof is professioneel maar passieloos, de geëxpliciteerde gedachten over vooruitgang en geloof scheren langs het oppervlakkige. Verdienstelijk, maar als u het niet leest, mist u niks.

HET BOEK: over de lotgevallen van grootvader, vader en de verteller zelf, geworteld in de Kempen.

ONS OORDEEL: verdienstelijk, maar daar blijft het bij.

KOEN PEETERS

De bloemen.

Meulenhoff/Manteau, 236 blz., 22,50 euro.

BOEKENBEURS: Koen Peeters treedt aan op 'Het uur van de literatuur 1', samen met Joost Vandecasteele en Koen Peeters op 10 november om 19.30u, Boek.be Lounge. Moderator is Jelle Van Riet. Hij signeert op 7 en 10 november.

Knack

Bloemen voor het vaderland
Tom Van Imschoot - 07 oktober 2009

Oppervlakkig bekeken lijken we ver verwijderd van de internationale richting die Koen Peeters (°1959) met zijn Grote Europese roman (2007) was ingeslagen. Ten gronde is er echter niets nieuws onder de zon. Van de hoofdsteden van Europa tot de bloemen die uitgezaaid zijn over de bladzijden van zijn familiegeschiedenis: altijd gaat het om verzamelingen die het lokale verleden aansluiten op het globale heden. Wat Peeters zoekt, zijn sporen, restanten van wat verdwenen is. In die zin is hij zelfs een documentair schrijver. Alleen toont de reconstructie van het verleden ook altijd een fictie van het heden. Dat is zijn ironie, het is de bron van zijn verbeelding. Ook in De bloemen , waar hij het levensverhaal van zijn vaders tot een spiegel maakt van de 'vederlichte vooruitgang' in de Kempen. Een spiegel die ook de schrijver zelf toont.

Het begin is als thuiskomen: lichtvoetig, trefzeker. Met een knipoog naar de conventies van de pastorale verteltraditie klapt de verteller de historie open van Louis Peeters en Hortence Proost, zijn grootouders, bij aanvang van de twintigste eeuw in het Kempense dorp Gierle. 'Dit is het midden van het dorp van de wereld, voelde Hortence. Voelde Louis.' Met een minimum aan woorden schetst Peeters de lijnen waarbinnen Hortence en Louis vroom hun plaats zoeken in de wereld. Hortence met een eigen kruidenierswinkeltje. Louis als eier- en botermarchand die in Antwerpen betoverd wordt door de mogelijkheden van het moderne leven. 'Misschien moet ik verder mikken dan zuivel verkopen', droomt Louis, voor wie God in de stoommachines van de haven, motoren, molens verschijnt. Eenmaal terug thuis, in de Kempen, waar God aanwezig is 'wanneer iedereen zijn plaats kende', vervliegen zijn ambities echter al gauw. De tering moet naar de nering gezet. En er zijn vijf kinderen om voor te zorgen. De tweede zoon is René, de vader van de verteller. Over zijn levensloop, als redenaar én gelovig CVP-politicus die in Brussel de belangen van zijn streek behartigt, gaat het vooral in het tweede deel van de roman.

Maar centraal staat het erven van vader op zoon. Daarin komt immers iets van de transitie bloot te liggen die de rurale Kempen in de voorbije eeuw heeft ondergaan. Met God in de hoofdrol, of beter: zijn verdwijning. Want generatie na generatie werd het geloof in de toekomst doorgegeven. Maar dat ging gepaard met een proces waarin God als grond van dat geloof verzwakte en verijlde. Tot hij alleen in naam overbleef, zoals bloemen in de namen van straten en mensen. Precies die leegte, in de vorm van volgebouwde plattelandswijken en de snelwegen die ernaartoe ijlen, is wat de jonge generatie heeft geërfd van de eeuw waarin God door de vooruitgang werd vervangen. Net zoals de verteller van zijn drukke maar afwezige vader de leegte erft waarin hij is verdwenen.

Dat zou een bron van nostalgie kunnen zijn, van rouwen. Maar dat gebeurt niet in De bloemen . Want erven is een kunst, een actief werkwoord. Aan de hand van de documenten die hij van zijn ooms krijgt, vooral het receptenboek van zijn grootmoeder en de verzameling brieven die zij ooit aan haar zoons schreef, verwerkt de verteller het verleden tot een constructie van zijn verbeelding.

Typerend in dat verband zijn de beeldrijmen die de hoofdstukjes van tijd tot tijd verbinden. Maar het meest opvallend zijn de vele bloemetjes waarmee hij gooit. Ze vormen een historisch systeem, waardoor het burgerlijke zoeken naar de eigen oorsprong wordt ingeruild voor verwondering door de anarchie waarmee het verleden blijft voortwoekeren. Dat werkt homeopathisch, al is het slot waarin de verteller zelf tot God spreekt iets te nadrukkelijk. Met de woorden van een plaatsvervanger van God die intussen ook al is overleden: Dank u voor De bloemen , Koen Peeters.

KOEN PEETERS, DE BLOEMEN , MEULENHOFF-MANTEAU, 235 BLZ., 22,50 EURO, ISBN 978 90 8542 208 2.

Leeswolf

Er zijn drie hoofdfiguren in de nieuwe roman van Koen Peeters: de mens, de Kempen en God. Ze worden stuk voor stuk geconfronteerd met dezelfde tegenstrever die sterker is dan zij: de tijd. De bloemen is dan ook een roman over de veranderlijkheid van de mens, de wereld en de bovenwereld. "Niets is blijvend tenzij de beweging," zo vat de verteller de hoofdthematiek van zijn boek samen. En welk symbool zou dat beter kunnen uitdrukken dan de bloemen, deze kwetsbare en vergankelijke vormen van leven, die er elke dag anders uitzien, en die in vele gevallen typisch zijn voor een bepaalde tijd? Zo koopt de verteller "een ouderwets boeketje van fresia's en anjers" omdat die hem terugbrengen naar zijn jeugd: "Zijn dat ook geen typische bloemen van de jaren zestig: zo onschuldig, zo ongevaarlijk?" Bovendien staan bloemen "voor iets tussen mensen. Voor hoe je je leven inricht." Zeg het met bloemen, luidde de reclameslogan, en dat is wat deze roman van Peeters doet. Via bloemen praten over de mens, de heimat, God en hun verhouding tot de tijd.

Wat de mens betreft: het gaat in de roman niet over het individu, maar over de generaties. Met enige goede wil had het boek dan ook De bomen kunnen heten, want het vertelt een verhaal van stambomen en afstamming. In het eerste deel schrijft de verteller over zijn grootvader Louis Peeters (1890-1960), in het tweede over zijn vader René Peeters (1925-1999). Tussendoor praat hij over zichzelf en over zijn zoon. Voor wie er nog aan mocht twijfelen, met dit boek speelt Koen Peeters mee in de eeuwige zandbak (of is het een moeras) van de Vlaamse letteren: het genealogische vertellen, het schrijven over familie. "Alles gaat voort en stroomt. Het lijkt de genealogische verbinding. Wij zijn allen verbonden met vaders en moeders, grootvaders en grootmoeders. Iedereen ontvangt en geeft door."

Typisch voor Peeters is dat hij deze familierelaties als teksten behandelt. Ten eerste neemt hij zijn personages op in het netwerk van Marchand-figuren dat in zijn hele oeuvre optreedt (vaak in de vorm van Robert Marchand). Meer bepaald verbindt de handelsgeest de voorvaderen uit De bloemen met hun papieren voorgangers in de vroegere romans van Peeters. Grootvader Louis was een kleine verkoper, die in de stad producten van het platteland ging verkopen en ervan droomde een grote handelaar te worden. Vader René ging in de politiek en verhandelde daar zijn ideeën: "De politiek. De wereld van de marchands in meningen."

Ten tweede wordt de familiegeschiedenis van de Peetersen geheel en al samengesteld aan de hand van papieren documenten. Net als Robin in Grote Europese Roman ? de vorige roman van Peeters ? legt de verteller van De bloemen een schriftje aan waarin hij van alles overschrijft: de brieven van zijn grootmoeder, de gesprekken met zijn oom Jos, fragmenten uit de boeken van zijn vader (inclusief een dagboek), bespiegelingen van Hannah Arendt. Kortom, de familiegeschiedenis à la Peeters is een weefsel van teksten: "Het verleden [...] bestaat uit geduldig opgebouwde teksten die gedurig verschuiven of afbreken." Ook de teksten staan dus machteloos tegenover de tijd. Boeken veranderen steeds: ze worden telkens anders gelezen. En na een tijd worden ze vaak niet meer gelezen.

Bij het genealogische schrijven hoort de streekroman, en ook dat genre beoefent Peeters in De bloemen. Net als bij de familieroman laat de verteller ook hier zijn lezer goed voelen dat het om teksten en algemener om papieren tradities gaat. Peeters gebruikt die genres met andere woorden erg zelfbewust en niet zonder ironie. Zo zegt de verteller monkelend: "Zoals in een streekroman, gaat het over eenvoudige, wonderbaarlijke levens in de Kempen." Maar monkelend of niet, de Kempen spelen in deze roman een erg belangrijke rol. Ook zij veranderen en verschuiven voortdurend. In de tijd van Louis zijn zij ongerept en weten ze zich beschermd door een altijd aanwezige God. Toen heerste nog "de rust van het algemeen maatschappelijk evenwicht, een welwillende opgeruimdheid der dingen, en vermits we in de Kempen waren, straalde hierover ook het licht van niemand minder dan God. God boven het Kempense dorp." Het dorp was toen nog duidelijk gescheiden van de stad en even duidelijk verbonden met het verleden.

In de tijd van René verandert dat. De modernisering brengt het steedse naar het dorp, en omgekeerd. Die beweging wordt gesymboliseerd door René, die een belangrijk politicus in Brussel wordt. Natuurlijk is er ook verzet tegen de modernisering (René krijgt een pak slaag van een knokploeg die de nieuwe tijden niet ziet zitten), maar de eerste fabrieken verschijnen en nog wat later strijken Nederbelgen neer in de Kempen. Zelfs het buitenland is nu in de heimat opgenomen. In de tijd van de verteller is de modernisering voltooid en zijn de grenzen tussen stad en platteland, buitenwereld en heimat haast verdwenen.

Met de Kempen is ook God veranderd. Ten tijde van Louis was hij de autoriteit die door iedereen zonder vragen gehoorzaamd werd. Zelfs de dood van een onschuldig kind paste in het schema van Gods ondoorgrondelijke wegen. In de tijd van René wordt de mens politiek actief, waardoor de wereld minder het werk van God wordt. Bovendien neemt de welvaart toe, en dat is nooit een goede voedingsbodem voor het geloof: "De streek is haar aura van heilige armoede kwijtgeraakt, en wekelijks worden de huizen gepoetst. Alles is nieuw en rijk en vers. Ze hebben u [God] niet meer nodig." In het heden, de tijd van de verteller, is God een tekst geworden, meer bepaald een verhaal en een naam: "God is zeg maar de som van alle mogelijke verhalen en de schilderijen daarvan." Hij blijkt nu de uitvinding van de mens: "God bestaat omdat we u kunnen denken. Gij vult de ruimte omdat er ruimte is. God is de naam van het spel dat we spelen."

Zo komen de mens, de Kempen en God samen in de verhalen. Ze krijgen allemaal hun plaats in het verhaal, meer bepaald in de historische roman De bloemen. Verhalen gaan niet alleen over de tijd, ze bestaan slechts dankzij de ontplooiing van een evolutie in de tijd. Dat onderscheidt hen van schilderijen. Bovendien zijn verhalen nooit het werk van één verteller. Ze worden doorgegeven via de volksmond, in liedjes en volkswijsheden. Ze gaan een eigen leven leiden, vertakken en woekeren: "Zoals bij een boom duwt het verhaal vanuit een onzichtbare kern, in een onzichtbaar kanaal waardoor het sap stroomt. De stam wordt dikker, de boom groeit alsmaar hoger, en het verhaal ontstaat, ontwikkelt zich en vertelt zich vanzelf." Daarom wordt het verhaal van de verteller mee verteld door zijn vader en grootvader. Hun schimmen treden op, ze praten met hun kleinzoon respectievelijk zoon en ze eisen dat hun leven en hun tijd bewaard worden in een verhaal. De bloemen is dan ook een gesprek met de doden, inclusief de dode God, die in het derde en laatste deel de uitverkoren gesprekspartner is.

Hoe knap Peeters dit alles ook heeft opgezet en hoe mooi sommige passages (bv. de aftakeling van de grootvader) ook zijn, het geheel is toch een pak minder interessant dan Grote Europese Roman, waarop dit boek expliciet alludeert, o.m. door het roodborstje dat aan het begin optreedt en dat via zijn Engelse naam (robin) verwijst naar Robin, de verteller van Grote Europese Roman. Waar de geschiedenis in die roman allerlei verrassende perspectieven bood die onvoorspelbaar versprongen via de steeds wisselende Europese hoofdsteden, komt de historie van De bloemen nergens verder dan het overbekende verhaal van de Vlaamse afstamming en heimat, inclusief de stroom van clichés, liedjes en stereotypes die blijkbaar nog altijd tot de fundamenten van het Vlaamse proza behoren. Ook de evolutie is veel voorspelbaarder dan in de vorige roman: ze loopt aan de hand van de clichématige opeenvolging der generaties en ze eindigt met een veel te lang uitgesponnen gesprek met God ? een truc die ook in de eerste twee delen al veel te veel gebruikt werd. Natuurlijk kan Peeters schrijven, en natuurlijk is De bloemen interessanter dan het leeuwendeel van het hedendaagse Vlaamse proza, maar voor iemand van Peeters' niveau is dat net niet genoeg. [Bart Vervaeck]

NBD Biblion

Jan van Bergen en Henegouwen
Koen Peeters (1959) debuteerde in 1988 en heeft sindsdien heeft een negental boeken op zijn naam staan, waarvan "Grote Europese roman" uit 2007 de bekendste en meest bejubelde is. Hij noemt zichzelf "een overtuigd Belg" en studeerde communcatiewetenschappen en antropologie. Voor deze roman keert hij terug naar de zijn geboortestreek de (Vlaamse) Kempen. Deze roman is een fictieve familiekroniek waarin langs de mannelijke lijn (grootvaders, vaders en zonen) wordt verteld over de veranderingen die zich in de loop van de twintigste eeuw voltrokken. Centraal staat de veranderde omgang met het katholiek geloof, van de roomse piëtiet van de grootouders tot de geloofsafval van de schrijver. Peeters beschrijft dit proces met liefde en zonder ironie, in een heldere poëtsche stijl. Mooi vormgegeven gebonden uitgave, in een stijl die verwijst naar werk van boekverzorgers uit het interbellum; normale druk.