Vos en Haas en de bui van Uil
Details
[14] p.
Besprekingen
Leeswelp
In Troep is leuk vallen we met de deur in huis. Haas is in alle staten, het huis is een rommeltje, overal liggen boeken, sloffen en posters verspreid en Vos zit rustig in de zetel een koekje te eten. ‘Troep?’ vraagt Vos. ‘Welke troep? Ik zie geen troep!’. De personages zijn vertrouwd, de reacties prettig voorspelbaar. Na een uit de hand gelopen verkleedpartijtje neemt Uil alle troep mee, maar laat zijn stoffige doos vol oude kleren achter. Het verhaal komt op ironische wijze full circle. Want de vloer ligt weer bezaaid, met kledingstukken dit keer, en Vos ziet wéér niet dat er troep ligt.
Waar de verwijzing naar de kunst van het verhalen vertellen in Troep is leuk vooral in de structuur van de plot zelf ligt, wordt er in De bui van Uil expliciet ingegaan op taal, schrijven en de ontwikkeling van letterlijk denken naar figuurlijk begrijpen. Op de eerste pagina zien we een zuchtende Uil die probeert een gedichtje te schrijven. ‘Ik ben een uil’ is al wat hij kan bedenken en dan komt er nog een onweersbui aan ook. Er ontrolt zich een vindingrijk gesprek tussen Vos, Haas en Uil over rijmwoorden als bui, lui, vuil en buil. Ze komen er maar niet uit, totdat de onweersbui over is, het weer opklaart en Uil zijn eerste, echte dichtregel verzint: ‘Na het onweer komt de zon weer’. De letterlijke betekenis van het woord ‘bui’ wordt zo inventief gekoppeld aan de figuurlijke bui waarin Uil verkeerde toen zijn dichtpogingen stuk voor stuk strandden.
In beide boeken vinden we woordspelingen, kleine grapjes en natuurlijk de prachtige prenten van Thé Tjong-Khing. Ook hier roepen de illustraties weer een veilige, herkenbare wereld op. Klein hoogtepunt is de tekening van een driftig schrijvende Uil, Vos en Haas, ineengedoken onder de tafel terwijl we door de ramen donkere, hevige slagregens zien. Als altijd congrueren de prenten, verfijnd en gevoelvol, met het vertelde verhaal. En die verhalen zijn wederom humoristisch, herkenbaar en op meerdere niveaus te lezen. Twee nieuwe prachtprentenboeken voor de jongste lezertjes. [Lisa van Erp]
NBD Biblion
Pluizer
Uil zit bij zijn boom. Vos vraagt wat hij doet. Uil schrijft een gedicht en dat is zwaar werk, want je moet er hard bij nadenken. Wanneer Haas hen binnenroept omdat er een bui aankomt, lacht Uil. Hij heeft een zin gevonden die rijmt. Ik ben een Uil en zit in een bui (sic!). De regenbui wordt erger, er komt donder en bliksem bij. Haas legt uit dat de bliksem gevaarlijk is. Vos vindt dat de donder veel gevaarlijker is. Maar Haas legt uit dat de donder pas na de bliksem komt. Uil vindt het moeilijk maar niet zo moeilijk als dichten. De boeken van Vos en Haas blijven kleuters en eerste lezertjes aanspreken. De verhalen leunen steeds aan bij de leefwereld van jonge kinderen, hoe ze denken en doen, waar ze bang voor zijn. Ongemerkt leren de kinderen ook iets bij. In dit boek bijvoorbeeld: een onweer, wat is dat en hoe gaat 'dichten' in zijn werk? De auteur slaagt erin met haar eenvoudige woordenschat de grappigste verhalen te brengen, die je dan ook nog eens kan aflezen op de gedetailleerde illustraties van Thé Tjong-Khing. Daarin vind je bovendien leuke extra's. Let er hier maar eens op hoe Vos prent na prent een hele doos koekjes alleen oppeuzelt. En op het hoogtepunt van het onweer komen blijkbaar de helikopter-pet en de marionetten in het hol tot leven!