Book
Dutch

Hoe het licht wandelt : een bloemlezing uit de poëzie van Jozef Deleu

Jozef Deleu (author), Hugo Brems (compiler)

Hoe het licht wandelt : een bloemlezing uit de poëzie van Jozef Deleu

Keuze uit het dichtwerk van de Vlaamse letterkundige (1937- ).
Title
Hoe het licht wandelt : een bloemlezing uit de poëzie van Jozef Deleu / Jozef Deleu ; samengest. en ingel. door Hugo Brems
Author
Jozef Deleu
Compiler
Hugo Brems
Language
Dutch
Publisher
[Leuven]:: Van Halewyck, 2002
69 p.
ISBN
90-290-7224-5 90-5617-433-9

Availability in Flemish libraries

More than 44 times in Flemish libraries

Reviews

Veertig jaar dichterschap heeft Jozef Deleu te vieren en n.a.v. dat jubileum verscheen Hoe het licht wandelt. Dat is een vrij dunne bloemlezing, want tot vandaag bleef de poëtische productie van Deleu beperkt tot vijf bundels. Uit Hoe het licht wandelt blijkt vooral hoe trouw de dichter zichzelf in de voorbije veertig jaar gebleven is. Eigenlijk vat 'De langzame dood' uit Tekenen van tijd de hoofdmoot van zijn poëzie samen: "Wie langzaam sterft / sterft meer dan duizend doden. // Van kindsbeen / hoort hij in 't hoogseizoen / van gaan en komen / de voortgang van de nietigheid. // Wie langzaam sterft / is levenslang in stervensnood". De dood was al de grote aanwezige in Deleu's debuut, Schaduwlopen, toen de jonge dichter nog leed aan een irritante rijmdwang, en in zijn tweede bundel, Nachtwerk, uit 1970. Veertien jaar later pas verscheen Tekenen van tijd en die bundel, waarin het ouder worden belangrijk is, vertoont ook meer tekenen van volwasse…Read more
Een keus uit de vijf door de dichter gepubliceerde bundels, 40 gedichten in totaal. Deleu (1937) was tot dit jaar hoofdredacteur van 'Ons Erfdeel'. Hugo Brems als samensteller schetst in tien bladzijden zijn poëzie als de keerzijde van dat bestaan. Van de dichter zelf niets dan de gedichten, die geven een duidelijk beeld. Al in de gedichten uit de eerste bundel treft een subtiel ervaren van het zijn en de bedreiging ervan, beelden van licht en schaduw. Dat klinkt in de latere gedichten steeds schrijnender door, maar zonder klacht of verheffing van stem, in een aanvaard vergankelijkheidsbesef. Apart is zijn verwoording van het besef van verlies van de tijd als versneld beleven ervan. Zo: 'Al in het voorjaar / ziet hij de bladeren / vallen'. Toch laat hij ondertussen ook met even weinig woorden vormgegeven zien wat hij ziet aan leven van natuur en mensen, aan de ontvankelijke lezer een weemoedige vreugde meedelend.

Suggestions

Publications about this work in the library