Natuurdagboek
×
Natuurdagboek Natuurdagboek
Dutch
© 2021
Adults
Dagboeknotities van de Nederlandse schrijver (1882-1961).
Subject Natuur
Personal subject Nescio
Title Natuurdagboek
Author Nescio
Language Dutch
Publisher Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar, © 2021 (Other editions)
520 p.
ISBN 9789038810737

De Volkskrant

Nescio's heruitgegeven Natuurdagboek staat vol schitterend monomaan proza
Erik Van Den Berg - 01 January 1970

In de lente van 1953 overkomt J.H.F. Grönloh, onder de alias Nescio vereerd als de subliem karige stilist van De uitvreter (1911), iets vreselijks. Tijdens een uitstapje wordt zijn kleinzoon Mariussi aangereden. Kort tevoren had hij het jongetje op 'rooie limonade met een rietje' getrakteerd, waarna Mariussi naar de wc moest en de schrijver 'z'n bretelletjes vanachteren' vastmaakte.

Mariussi overleeft het ongeluk niet. 'Ik had hem en Nelletje net nog Het leelijke jonge eendje voorgelezen', noteert zijn grootvader op 7 april in zijn dagboek. 'Buren kwamen het vertellen.'

Vier dagen later wordt Mariussi begraven. En ook over die zwarte dag maakt de 71-jarige een notitie: 'Schitterende helderheid, warm in de zon.'

Als Herman Franke die dagboekpassage vijftig jaar later leest, staat hij paf. Het wil er bij de romanschrijver en essayist niet in dat Nescio zoiets futiels te berde brengt, terwijl hij geen woord wijdt aan het verdriet om Mariussi. 'In dit proza heerst een absurde onaangedaanheid waar je koud van wordt', luidt Frankes conclusie, in het voorjaar van 2004 in zijn column in de Volkskrant. 'Het befaamde literaire minimalisme van Nescio zal toch niet het symptoom van een autistische persoonlijkheid zijn?'

Die nadien vaker aangehaalde vraag is wellicht niet onbegrijpelijk (al klinken die 'bretelletjes' gevoelig genoeg), maar ziet toch iets essentieels over het hoofd. Namelijk dat in Nescio's dagboekaantekeningen, die in 1996 postuum onder de titel Natuurdagboek werden gepubliceerd, de passage over Mariussi juist tot de weinige behoort waarin iets doordringt van het privéleven van de auteur.

Van februari 1946 tot december 1955 noteert de schrijver nauwgezet wat hij op zijn geliefde tochtjes door de natuur beleeft. Die uitstapjes maakt hij doorgaans met echtgenote Agaat ('Ossi'), en al komen ook dochters of kleinkinderen in beeld, het blijft bij namen noemen. Hoe het zijn naasten gaat, wat die zeggen of doen, en wat hij daar op zijn beurt van vindt, is eenvoudigweg geen stof voor zijn aantekeningen.

Wat hij wél de moeite van het noteren waard acht, valt na te lezen in de recente heruitgave van het Natuurdagboek en in de beknopte bloemlezing die Nescio-kenner Lieneke Frerichs daaruit samenstelde, Het geluk van in Amsterdam te leven.

Afgezien van de vertrektijden van treinen en bussen, onderweg genoten kopjes koffie en 'krankzinnig dure' broodjes ham ('60 cent!'), gaat het louter om het geluk dat de schrijver in het Nederlandse landschap zoekt. Alsof hij tegen beter weten in een nog ongeschonden schepping wil beleven, elimineert hij alles wat daarvan afleidt. Het silhouet van een kerkje op de horizon mag nog meedoen, verder blijft het bij 'Een zeilscheepje onder de kust. Zeer zomersch en wolkenloos' (augustus 1953), 'de zon, de zomerwind, het deinen, de lucht van het brakke water' (mei 1954) en 'vele, vele lammetjes die lagen als poezen' (april 1955).

Conclusies komen er niet aan te pas, gedachten evenmin - alsof de opsomming van gelukscheppende elementen hem genoeg is. Het gekke is dat die karigheid een haast mystieke vervoering kan oproepen. Misschien juist omdat uit al die uitgespaarde woorden zo'n onmetelijk verlangen spreekt. Een waarin elke menselijke interventie een 'een wereld van plurken' betekent, of 'ellendig veel nare gezichten en C&A-jurken slobberend om dikke vrouwen'.

Onaangedaan valt dit proza al met al niet te noemen, schitterend monomaan is het ongetwijfeld wel. Lees hoe de schrijver woorden vindt voor de gloed van de ondergaande zon op de gevels van Amsterdam: 'Alles eetbaar. De heele voorste helft van de Ruysdaelkade opgegeten.'

****

Nijgh & Van Ditmar; 522 pagina's; € 22,50.

Leeswolf

Nescio, pseudoniem van de Nederlandse zakenman J.H.F. Grönloh (1882-1961), drukte met een minuscuul oeuvre zijn aanzienlijke stempel op de Nederlandse literatuur. Het verzameld werk van de schrijver van drie novellen en enige verhalen leek in een omnibus van amper 200 pagina's te passen. Naast de boekjes De uitvreter, Titaantjes en Dichtertje en de schetsbundel Mene Tekel, liet hij echter ook nog een enorme hoeveelheid ongepubliceerd werk na. Nesciospecialiste en tekstbezorgster Lieneke Frerichs slaagde er in 1996 dan ook in zo'n 1.400 bladzijden verzameld werk bijeen te sprokkelen.

Het Natuurdagboek, dat de volledige tweede band van het tweedelige verzameld werk opeiste, was daar grotendeels voor verantwoordelijk. Dat tweede deel is ondertussen ook afzonderlijk verschenen. De neerslag van de natuuruitstapjes die Nescio tussen 1946 en 1955 maakte, beslaat meer dan 500 pagina's. Het is een fragmentarisch logboek met fotografische beschrijvingen en hier en daar zelfs een beverig gekrabbeld landkaartje. 20 juni 1949. "Maandag omtrent 12 uur met Miep op een bank gezeten op het Kattenburgerplein. Wonderlijk."

"[Natuurdagboek] lijkt in de eerste plaats te zijn opgezet als een 'journal intime', bedoeld om in telegramstijl het geziene vast te leggen", merkt de tekstbezorgster terecht op. In de latere aantekeningen bemerkt ze "een meer persoonlijk en soms uitgesproken lyrisch karakter." Deze evolutie is echter niet zo duidelijk als wordt voorgesteld; het blijft worstelen doorheen, althans voor een Belg, nietszeggende namen van gehuchten, vertrektijden van bussen en geijkte uitdrukkingen die het weer beschrijven.

Toch verbergt het dagboek meer. De natuur is Nescio's mentale houvast. Met zijn notities, geheugensteuntjes en opsommingen doet hij halsstarrige pogingen om het vergankelijke te vereeuwigen. Herhaling is dan ook de grondstof van Nescio's verhaaluniversum. "Om zeven uur stond de zon nog hoog boven de zee, maakte, alweer, ik kan 't niet helpen, 't is God zelf die steeds in herhalingen vervalt, maakte alweer een lange gouden streep op 't water en scheen op onze gelaten", schreef hij in Titaantjes (1915). In de dagboeknotities wordt die herhaling zo op de spits gedreven dat ze een mystieke dimensie krijgt. De regelmaat van de natuur zorgt voor het evenwicht van de mens.

Het Natuurdagboek is een schoolvoorbeeld van editietechniek, een onmisbaar werkstuk voor de Nesciostudie. Meer nog: het is een poëtische geografie van het gebied tussen Amsterdam en Hilversum, een neerslag van authentiek heimatgevoel. Maar het blijft een stapel flarden, een fragmentarische goudader van vergeten opmerkzaamheid. Als geheel schiet het literair tekort. Dit dagboek van eenvoudige avonturen, die vandaag nauwelijks nog te beleven zijn, werd dan ook zonder enige literaire pretentie geschreven. Het moet gelezen worden zoals men kleine uitstapjes in de natuur maakt. Zonder verwachting, maar alert voor het onverwachte, aandachtig voor de vonkjes van Nescio's ontwapenende stijl. Natuurdagboek is een werk dat erom smeekt gebloemleesd te worden. [Bram Demulder]

NBD Biblion

Mede naar gegevens van L. Torn
Dagboek met natuurimpressies van de schrijver Nescio (pseudoniem van J.H.F Grönloh; 1882-1961), opgeschreven in de jaren 1946-1955, toen de (gepensioneerde) auteur veelvuldig wandelde in de natuur van het Gooi en omstreken, in Groet, Limburg, Brabant en Groningen. Aanvankelijk (de jaren 1946, 1947) bevatten de notities slechts opsommingen van data, plaatsen, tijden en vervoersmiddel (bus, auto, trein), maar gaandeweg worden ultrakorte natuurbeschrijvingen toegevoegd: prachtige schetsjes van Nederlandse landschappen. Al lezend ontdek je wat de schrijver bezielt: de wisseling van de seizoenen, de Hollandse luchten, het spel van licht en donker en vooral de liefde voor het Nederlandse landschap met zijn kerktorens, sloten, bruggen en bomen. Nescio heeft een klein literair oeuvre op zijn naam staan, maar zijn reputatie mag er zijn: zijn novelle ‘De uitvreter’ (uit 1911) is een klassieker die op geen enkele leeslijst ontbreekt. Met dit ‘Natuurdagboek’ heeft hij het Hollandse landschap op een authentieke wijze vereeuwigd. Verzorgde editie met 100 pagina’s verklarende aantekeningen. Bevat een portretfoto van de auteur en een kaartje in zwart-wit.